Obiter Dictum

Notes on the adventure of life.

Archive for the ‘4 – Sunshine Shooters, an African adventure’ Category

(1) Vertrekkensklaar.

leave a comment »

 

Hellen Keller zei ooit: “Life is either a daring adventure, or nothing”.  Enkele dagen voor ons vertrek naar Gambia begin ik me toch af te vragen of ik niet beter had gekozen voor “or nothing”. Toen ik vorige winter gewikkeld in een dikke wintersjas naar Tilburg trok voor de info avond over de rally, klonk het allemaal zo boeiend. “Antwerpen naar Banjul: een low-budget rally voor het goede doel!” verwelkomde de zonnige posters me toen ik verwaait het warme clublokaaltje in rende die donkere decemberavond. Een goed doel dat we bovenop zelf konden kiezen. Stel je voor: samen met een vrouwelijke fotograaf naar Afrika om andere vrouwen helpen en er nog een reportage van maken…dat zou pas een droom zijn die in vervulling gaat! Als self-confessed Afrika junkie keek ik die avond dan ook vol zelfvertrouwen naar de andere bleekscheten rondom me en dacht: “Och, ik heb er al twintig jaar in Afrika opzitten! De meeste hier kennen hooguit het Afrika van Chris Duchausoit en zijn Dieren In Nesten.” Maar in het donkerste holst van de winter en vanuit het gemak van onze warme zetel zijn we allemaal stoere avonturiers, niet waar?

“Ik trek met de Jeep naar Afrika.” Zo begon ik eind vorig jaar kordaat mijn verhaal tegen al die luisteren – en ook een hele paar die niet luisteren wouden. Neem het maar eens in je mond, die zin, en voel hoe verraderlijk gemakkelijk het van de tong rolt. Alsof Afrika op een filevrij uurtje rijden naast Oostende ligt. “Ja, ik trek met de Jeep naar Afrika!” Hoe naïef dacht ik toen te weten waartoe ik mezelf verbond met die uitspraak, en wat er uiteindelijk allemaal bij zou komen kijken.

En hier zit ik dus negen maand later, met mijn twee dozen malariapillen en voldoende Deet om heel België mee in te wrijven tegen de muggen.  Mijn leven heb ik ondertussen ook verpand, paraaf na contractuele paraaf, in een overeenkomst dat zeven bladzijden lang opsomt wat ik precies mag verstaan onder een “unsupported rally”.

De vijftien jaar oude Land Rover is geladen, elk hoekje en elk gaatje gepropt met spullen: spullen voor de reis, spullen voor het hospitaaltje dat we sponsoren, en met Engelse boeken die we meenemen voor  het project “Books For Africa”.

Onze ‘Disco’ zoals de fanaten hem noemen, blinkt nu nog een laatste maal voor de deur, paraat wachtend op ons vertrek. De motor is volledig onder handen genomen door een rally veteraan, op de velgen liggen gloednieuwe on/off road banden en de  binnenkant is ondertussen omgebouwd tot een minikaravaantje kompleet met bagageruimte, opklapbed, muggennetjes en verduisterde ramen.

De helft van het dorp is de afgelopen dagen met grote ogen en veel vragen komen kijken. De overige helft negeert het groot gepantserd gedrocht en het geroezemoes kordaat, waarschijnlijk uit vrees voor besmetting met onze “non compus mentis”.

De cafébazin kwam langs en vroeg wanneer ik met de auto naar Amerika vertrok. Ik herhaalde mijn verhaal wat luider met de klem op AF-rika. De buurman schudde fronsend zijn hooft en maakt zich zorgen om het feit dat mijn lief niet mee gaat. De bakkerin volgt alles al weken stilletjes maar nauwkeurig van op afstand en weet precies – misschien zelfs nog beter dan wij zelf – hoever we staan met de voorbereidingen. Mijn oma dacht dat de reis maar drie dagen zou duren en vraagt zich af hoe we in godsnaam terug thuis geraken uit Zambia. Mijn broer bereid me nu al voor op mijn tocht door  Moslimlanden en richt al zijn vragen enkel nog tot mijn lief. En wij? Wij krossen van hot naar her; we bellen, we vragen, trekken, smeken en sleuren aan al die helpen kan en wil. Met een beetje geluk zorgen we er zo voor dat er meer dan enkel een paar propere onderbroeken en een wit stickertje met “827 – Mission Humanitaire” tussen ons en de beproevingen van deze tocht zal staan de komende drie weken.

Artikel hier

Advertisements

Written by sabineclappaert

November 12, 2009 at 10:20 pm

(2) No man’s land.

leave a comment »

Een vlekloze Spaanse zonsopkomst vergezeld de kolom auto’s bij het inschepen op de ferry richting Marokko. Als een vrolijk gekleurde rij rupsen kruipen we het schip op. Amper staan ze veilig geankerd of we klauteren erover en roepen opgewonden als kinderen de namen van nieuwe vrienden om samen naar het achterdek te rennen en daar toch maar het beste plaatsje te bemachtigen. Want na drie dagen en 2340km rijden verlaten we uiteindelijk Europa, en niemand wilt het missen.

Bengelend met onze voeten over de rand zie ik Europa langzaam in de ochtendmist verdwijnen tot er plots niets meer is dan water. No Man’s Land. Naast me zit Tinni, een van het groepje Nederlanders die met een bus naar Gambia trekken. Samen staren we even stil naar het kolkende witte schuim achter de ferry.  Achter ons krioelt van de Challengers: twee stoere vrouwen in motorpakken, een groepje antropologiestudenten van de Vrije Universiteit Amsterdam, een man en vrouw team uit Geluwe. Elk brengen ze hun eigen verhaal mee op deze tocht naar Afrika.

“Mijn vriendin wou naar Afrika” zegt Tinni. “Haar zwager had de tocht al twee maal gemaakt en zij wou het ook doen. Toen dacht ik: nou, dan ga ik mee.” Tinni wordt 83 dit jaar. Op de vraag of hij al veel van de wereld heeft gezien, grijpt Tinni terug naar 1945, toen hij met de Marines voor drie jaar naar India werd gestuurd.  Gebeten door de reismicrobe blijft Tinni bij zijn terugkeer niet lang meer in Nederland en in 1953 reeds vertrekt hij met zijn gezin naar Noord Amerika.

In een vorig leven was Tinni Stucador in Canada. Maar de lange winters lagen hem zwaar op de maag. Een stucador moet kunnen werken zonder dat het weer je parten speelt. Vrouw en kind onderhouden kost geld en al snel zoekt het gezinnetje zonnigere oorden op. California, Nevada, New York, overal is er genoeg werk. Helaas kunnen zonnige zomers niet alles redden. Tinni is ondertussen 25 jaar gescheiden.  “Mijn vriendin, die wilt wel reizen, en dat vindt ik leuk,” zegt hij trots. “

Met z’n zeven zijn ze op de oude bus. Drie mannen en vier vrouwen, waaronder ook Trees, de vriendin van Tinni, met haar zestig jaar de jongste van de bende. Alles doen ze samen op die bus: koken, slapen, rijden, en ook af en toe een kaartje leggen. Zes maand hebben ze deze tocht voorbereid: de taken eerlijk verdeeld en ieder zijn verantwoordelijkheid. En zo kwamen ze er wel, vonden ze. Zelf rijdt Tinni niet met de bus tijdens deze monstertocht. Dat laat hij liever aan de jongeren over. Hij rijdt gewoon mee. Om het allemaal nog eens te beleven. Aan stoppen met reizen denkt Tinni nog niet, want hij zou graag nog eens terug gaan naar India, daar waar het allemaal is begonnen.

Voor ons rijzen de schimmen van Afrika uit de mist. Even zitten we nog stil naast elkaar, denkend aan de lange tocht die op ons wacht. Traag stel ik me recht en bedank ik Tinni voor het gesprek. “Ik wens je een goede gezondheid en heel veel geluk in de rest van je leven,” sluit hij af met een vriendelijk klopje op mijn schouder terwijl hij hinkend naast me loopt, terug naar zijn groep waar Trees geduldig op hem wacht. “…veel geluk in de rest van je leven.” Zo’n oprechte, grote wens voor een wildvreemde, daar moet je 82 voor zijn.

Artikel hier.

Written by sabineclappaert

November 12, 2009 at 10:10 pm

(3) De woestijn als zielenzalver

leave a comment »

Marokko verwelkomde ons op haar eigen grillige manier. De grenspost die ons van Spanje naar haar bracht een bijenkorf van Afrikaanse drukte: statige mannen in lange witte Jellaba’s die de krioelende massa auto’s en mensen luidkeels van paspoortcontrole naar autocontrole gesticuleerde, sjacheraars die trachten een handige Euro te verdienen uit ons onzekerheid door te tonen hoe we de aankomstformulieren moeten invullen. Een gloedwarme container doet dienst als medische post waar we verplicht een lazerlichtje tegen het voorhoofd krijgen om te controleren dat we geen Mexicaanse griep het land binnen brengen. Wel vijf verschillende norse mannen in uniform kijken onze paspoorten en autopapieren na op de 100 meter dat we door de controlepost aanschuiven. Aan de Marokkaanse zijde van de grenspost strekt de rij auto’s die het land willen verlaten bijna eindeloos in de blakende zon. Rondom, op de kale heuvels achter torenhoge omheiningen kijken vluchtelingen priemend toe, hopend op  een onbewaakt moment die voor hun de kans – hoe klein dan ook – op een nieuw leven zou kunnen betekenen.

Meer dan 1700 kilometer reden we de afgelopen week door haar bergen, haar eindeloze vlaktes en haar wemelende dorpen. Elke dag kruipen we een eindje verder zuid. Bergen als reuzen omringen ons, we rijden als een netjes rijtje mieren tussen hun massieve voeten door om dagen later uitgespuwd te worden op eindeloze vlaktes: de zon, de hitte en de vermoeidheid onze enige trouwe reisgezellen. Richting Zagora en ‘Vallee Du Draa” trekken we, om daar te overnachten voor we verder zuidoostwaarts naar de grens met Mauritanië rijden.

Zagora: overal vertelde men ons over de schoonheid van Zagora. Aan het einde van Vallee Du Draa – een befaamde vallei dadelbomen omringd door bruingebakte bergen, daar lag Zagora. Twee dagen en een nacht hebben we gereden, over de eindeloze zandvlaktes en de rotspaden van het Kheb Azouggouarh gebied voor we eindelijk, in de gitzwarte donker haar lichtjes tussen de bergen zagen verschijnen: Zagora.

Uitgeput, het zweet en zand klevend aan ons lijf, rijden we het donkere kampeerterrein op. We mikken naar de lichten van de andere voertuigen, glimmend als ogen van wachtende leeuwen in de nacht. Op wankelende benen stappen we uit, blij eindelijk uit de auto te zijn, de vermoeidheid stoot een krop in onze keel. De uitputtende tweedaagse rit door de Kheb Azouggouarh vlaktes heeft ervoor gezorgd dat het stadsmeisje in ons beiden slechts een vage herinnering is geworden. Leven en overleven – vandaag, dat is wat telt. Rijden, eten, slapen. Verder is er niets. Dit is geen vakantie weg van jezelf, integendeel: dit is in reis met enkel je eigen angsten, je eigen tekortkomingen en je eigen grenzen als bruuske reisgezellen.

Gedesoriënteerd kijken we rond om te zien wie er nog al is toegekomen. Al snel worden we omringd door andere leden van de groep. Allemaal komen ze vragen hoe het was, lopen ze rond de auto om te oordelen hoe die het heeft overleeft. Vragen, schouderklopjes, een zachte glimlach, een glas koel water dat verschijnt uit het niets, zo verwelkomen ze ons terug in hun midden.

Vermoeid wandelen we samen naar de Berbertent waar Mohammed, de eigenaar van het kampeerterrein, ons opwacht met warme, stroopzoete muntthee. Hij vraagt hoe het is gegaan, onze rit door de vlaktes van Marokko. Wanneer we hem met krakende stembanden vertellen dat het een adembenemende mooie maar loodzware ervaring is geweest, antwoord hij glimlachend: “N’oubliez pas Madame: comme l’eau nettoie le corps, les desert nettoie l’ame.

Artikel hier

Written by sabineclappaert

November 12, 2009 at 10:04 pm

(4) Drie kilo kamelenvlees

leave a comment »

Mauritanië is een van de armste landen ter wereld. En toch laat het de toeristen met hun buidelzakken vol geld niet zomaar toe. Integendeel. Zes uur en zeventig euro heeft het gekost voor we de 500 meter lange grensstrook die Marokko van Mauritanië scheidt mochten doorkruisen. Door het surrealistische strookje niemandsland bestrooid met  afval, landmijnen en autowrakken loodsen gidsen de auto’s in kleine konvooitjes voorzichtig Mauritanië binnen.

Het kontrast met Marokko kan niet groter zijn.  Eindeloze vlaktes vol zwerfvuil komen ons tegemoet.  De stank van rottende afval stormt mee met de hitte de auto binnen. Aan onze ramen passeert een eindeloos tafereel van armoede en ontbering:  uitgemergelde paarden die wankelende karretjes sloom voorttrekken, geiten die kriskras over de drukke weg zoeken naar een plukje verdord gras of een eetbaar stukje afval. Zwermen blootsvoets rennende peuters in vuile, gescheurde T-shirts schreeuwen het ons toe: “Madame! Madame, donne moi le cadeau!”.

Men had ons gewaarschuwd voor Mauritanië. “Gevaarlijk”, “een land vol landmijnen”, “corrupt”, “bliksemsnelle zakkenrollers”, “oplichters”. Niet een goed woord hebben we gehoord. Geen enkel gul complimentje. Alleen achterdocht, schrik en afkeer.

Mauritaniers snappen het niet. “Waarom reist iedereen hier gewoon zo snel mogelijk door?” vroeg de Mauritaanse garagist die een van de voertuigen in onze konvooi herstelde. “Waarom vlammen jullie westerlingen met jullie gulle giften voor Afrika altijd door naar Senegal, Gambia en Mali? Waarom helpen jullie Mauritanië nooit?”

Het is waar. Als een stervende hond naast de weg snellen we Mauritanië met afgekeerde blik voorbij. We willen de ellende van dit land niet zien. Want het helpt toch niet, zo geloven we, en richten ons blik hoopvol op de zachtere schoonheid van Senegal en Gambia. En toch verdient ook Mauritanië een kans.

Ja, het is een corrupt land. Ja, er zijn plaatsen waar er mogelijk landmijnen kunnen liggen. Ja, smeergeld smeert de economie en maakt miljoennairs van enkele gelukkigen.  Ja, het is vuil, het stinkt en er zijn waarschijnlijk meer kakkerlakken en geiten dan de 3.5 miljoen mensen die in dit dorre landschap wonen. En toch verdiend Mauritanië een kans.

Wij brachten hier drie ongelooflijke dagen door. Met 3 kilo kamelenvlees en 20 liter water doorkruisten we met ons groepje van vijf auto’s twee dagen lang de westelijke Sahara. Onder het waakzame oog van Dahid, onze Berber gids, ontdekten we als verwonderde, spelende kinderen haar wondermooie natuur.  Gillend gleden we met stukken karton van de flanken van haar duinen, smulden we verse dadels onder een schrale doornboom en verkenden we met aaneengeknoopte touwen de dieptes van een drinkwaterput midden in de woestijn. We reden zeventig kilometer over eindeloze stranden en sliepen ’s nachts in onze wapperende tentjes in haar verwaaide duinen.

En toen we ’s morgens met knipperende ogen uit onze tenten kropen zagen we ze zitten: twee volwassen mannen en drie kleine jongens. Op vijf meter van ons cirkeltje tenten hadden ze gewacht tot we wakker werden. Voor hun smeulde een vuurtje waarop een blauw theepotje ruste. Hurkend naast het vuurtje stak de oudste een klein glaasje gevuld met warme thee naar me uit. “Tea Madame, pour vous, si tu veux, ici avec nous.”. Verbaasd en verward steek ik mijn hand uit en neem het woordeloos aan. Mauritanië verdient echt een kans.

Written by sabineclappaert

November 12, 2009 at 10:00 pm

(5) De reuzen van Senegal.

leave a comment »

Nog 826 kilometer en we komen aan in Banjul, Gambia. De kale, verwaaide vlaktes van Mauritanië hebben we inmiddels geruild voor de groene Savanne van Senegal.  Elke nieuwe kilometer brengt ons een eindeloos tafereel vruchtbare graslanden rijkelijk bestrooid met de magische reuzen van Senegal: de Baobab.

Als door een scene uit Lord of the Rings rijden we uur na uur tussen een zwijgend toekijkende menigte Baobabbomen. Zo ver het oog kan zien staan ze statig stil rondom ons. Gefascineerd blijf ik door het raam staren. Het is de eerste maal dat ik zo veel Baobabs zie. De ervaring maakt me spraakloos. Hun energie sijpelt voelbaar over het hele landschap. Hun uitstraling is bijna menselijk.

De Baobab is zonder twijfel de meest majestueuze boom van Afrika. Verwonderd kijk ik om me heen naar de stille reuzen waarvan men zegt dat ze tot 3,000 jaar oud kunnen worden. Hun afmetingen wekken enkel verbijstering op: een hoogte van tot 20 meter en een stamomtrek van 10 meter. De struiste Baobabboom in Senegal heeft zelfs een stamomtrek van 26 meter! En dan dit: de stam van de Baobab kan tot  120,000 liter water opslaan.

Offerandes.

Ik ben lang niet de enige die het magische en het menselijke van de Baobab zo intens ervaart.  In Senegal is de Baobab een heilige boom waaraan veel legendes, tradities en rituelen zijn gekoppeld. Het hout mag nooit worden gebruikt in houtwerk of als brandhout. Onvruchtbare vrouwen en zieken leggen hun handen op de boom, smekend om de helende kracht der eeuwen. De Senegalezen brengen offerandes aan hun voorvaders aan de voet van de boom.  De giften – meestal Kolanoten, eieren of Lakh – plaatsen ze in een aardeschaal die vervolgens wordt gebroken zodat het eten de grond insijpelt . Zo gelooft men, wordt het voedsel voor de geesten die in de boom wonen.

De gigantische holle, verdraaide Baobabstammen, zo zegt een legende, zijn ook de enige begraafplaats voor de Griots – zwervende West Afrikaanse dichters die ervoor zorgen dat gebeurtenissen als geboortes, huwelijken, sterftgevallen en andere locale gebeurtenissen worden bezongen en doorverteld. Omdat de Griots niet als andere stamleden het land met hun handen bewerkten, mochten ze ook niet in de aarde worden begraven, zo geloofde men vroeger.

Honderden kilometers lang rijden we tussen deze stille wachten van de Savanne, en dan valt het me opeens op: de Baobab is een eenzame boom. Ze staan wijd verspreid, alsof elk het recht eist op een eigen ruimte. Nergens dichtbij vind men andere, kleinere bomen of struikgewas. Het is een herkenbare, bijna menselijke eenzaamheid. Net als mensen zullen de bomen ook naar mate ze ouder worden steeds meer beginnen krimpen.  En toch is het bijna onmogelijk om een Baobab uit te roeien: verbrand de boom of ontdoe hem van al zijn hars, de Boabab zal het gevecht niet zomaar opgeven. Met al zijn kracht zal het zichzelf in stilte herstellen, om vervolgens nog eeuwen stand te houden.

Wanneer een Baobab sterft, gebeurd het ogenschijnlijk plots. De boom verrot van binnenuit en zakt daardoor opeens helemaal in elkaar.  Het is deze onverwachte, geruisloze dood die ervoor zorgt dat men in Senegal gelooft dat de boom niet sterft maar op een dag ineens gewoon verdwijnt.

Ik sluit even mijn ogen tegen de felle ondergaande zon. De eenzame vormen van de Boababbomen staan schimmig op mijn netvlies gebrand. Als stille getuigen voel ik hun ogen op mijn rug branden terwijl wij de laatste kilometers van deze onvergetelijke reis onder onze banden laten rollen.

Artikel hier

Written by sabineclappaert

November 12, 2009 at 9:55 pm

(6) Vergeten stukjes

leave a comment »

Elk verhaal kent een einde en ook ons avontuur van Antwerpen naar Banjul is ondertussen afgelopen. Achttien dagen, 7213 ongelofelijke kilometers en zes landen later zijn we terug op gekende grond. De stoffige rugzakken zijn geleegd, de slaapzakken terug op zolder geduwd en de vuile was weer proper. De auto waarin we drie weken lief en leed hebben beleefd blijft als enige getuige van ons avontuur achter in Banjul, waar het binnenkort onder de hamer gaat ten bate van ons gekozen goed doel: het aanstellen van een gynaecoloog in de kliniek van Kartung.

Familie en vrienden wachten overal vol grootse verwachtingen op onze verhalen. Als ik hun hoopvolle gezichten zie, wens ik soms dat ik een glorieus verhaal met een imponerend Hollywood Happy End kon vertellen. Een einde vol vrolijk lachende kindjes op weg naar school, blakend gezonde moeders die maaltijden met drie voedselgroepen bereiden en ethische, efficiënte liefdadigheidsorganisaties die zich onvermoeibaar inzetten voor het lot van zwakkeren.  Maar zo netjes speelt Afrika het niet.  Een terugblik op deze ongelofelijke ervaring brengt een maalkolk van emoties met zich mee: blijdschap, trots, teleurstelling, twijfel, verwondering, hoop.

7000 kilometer dichter bij jezelf.

Reizen is leren, en elke reis brengt nieuwe lessen met zich mee. Deze reis bevestigde nogmaals dat te lang binnen je comfortzone vertoeven sluipend nare gevolgen kan hebben. “Te lang in een land verblijven doet geloven dat je groter bent dan je echt bent en maakt je kleiner dan je kan zijn.” Tot dit besef kwam ik op een verlaten strand ergens midden Mauritanië, na een helse eerste week vol confrontatie met mijn eigen netjes verpakte vooroordelen en irreële, zelfgecreëerde angsten.  Gestroopt van het laagje vernis dat we over ons dagdagelijks leven leggen, zonder de kronkels die we gemakshalve rond moeilijke onderwerpen weven, weg van onze gebruikelijk context, daar herontdekken we vergeten stukjes van onszelf. Daar leren we opnieuw  wie we echt zijn.

Ook de antropologiestudenten van de Vrije Universiteit Amsterdam, die meereisden om de groep deelnemers als onderwerp voor hun eindwerk rond groepsdynamiek te bestuderen, kwamen zekerlijk niet bedrogen uit. Een reizende konvooi van bijna honderd altruïstisch geïnspireerde Belgen en Nederlanders van alle ouderdommen en sociale achtergronden zorgt namelijk voor een interessante microkosmos. Sociale barrières vervagen, spelregels wijzigen, banden groeien en verstrengelen razendsnel. Soms waande ik me in een parallelle universum: een aflevering van Eiland Robinson, even later een verdwaalde episode uit Temptation Island. De studenten hadden zeker genoeg stof tot nadenken, al merkten velen onder ons met een glimlach op dat de veranderende groepsdynamieken vaak het sterkst binnen het groepje studenten zelf te merken viel.

Wantrouwen.

Daar stonden we dan met z’n allen op 21 oktober in Banjul: een kleurvol groepje Europeanen, breed glimlachend en trots met onze auto’s vol giften voor Afrika. Tijdens een vrolijke verwelkomingceremonie omringd door zingende kinderen en dansende vrouwen bedankt de organisatie ons voor onze steun. Even later ontvangt elk team een certificaat als bewijs dat ze de 7000 kilometer-durende reis succesvol hebben voltooid. En dan, net voor de beklijvende hitte in het verloederde receptielokaaltje ons te veel wordt, komt het hoofd van The Gambian Chamber of Commerce, de organisatie die het project rond microkrediet voor vrouwen dat wij origineel wouden steunen, de groep nog even toespreken. Want er was wantrouwen rond de oprechtheid van dit project bij sommige teams en daardoor hadden ze afgehaakt, zo had hij vernomen. Statig netjes in een kraakloos Khakipak spreekt hij de groep in foutloos Engels toe. Sinds 2007 is er reeds 7,000 Euro op de rekening ten behoeve van dit project gestort, verteld hij, en somt de bedragen van de cheques met bijhorende stortingsdatum netjes op. Maar 7,000 Euro daar kon de organisatie niet veel mee doen, vervolgde hij kalm. Er was meer nodig voor ze gestructureerde financiële ondersteuning aan ondernemende vrouwen kon bieden. En tot dan, concludeerde hij ietwat weemoedig, blijft het geld best gewoon op de rekening staan.

Verstomd veeg ik de druppels zweet van mijn voorhoofd. Ik denk aan de twintig dozen verbanden, talloze flessen ontsmettingsmiddel en andere medicatie achter in onze Land Rover en de ettelijke duizenden euro’s die onze auto misschien wel op de veiling zal opbrengen.Hopelijk kan Stichting Evenaar, de organisatie die de kliniek in Kartung wilt uitbouwen, wel “iets” met onze bijdrage . Wij volgen het alleszins nauwgezet op.

En zo komt er ook aan ons verhaal een einde. Wij zijn het er alleszins over eens: een ervaring als deze, zelfs met al zijn grillige hoeken en kantjes, dat wensen we iedereen die we lief hebben toe.

Alle foto’s van onze reis kan je vinden op http://sunshineshooters.wordpress.com/

Written by sabineclappaert

November 12, 2009 at 9:50 pm