Obiter Dictum

Notes on the adventure of life.

(2) No man’s land.

leave a comment »

Een vlekloze Spaanse zonsopkomst vergezeld de kolom auto’s bij het inschepen op de ferry richting Marokko. Als een vrolijk gekleurde rij rupsen kruipen we het schip op. Amper staan ze veilig geankerd of we klauteren erover en roepen opgewonden als kinderen de namen van nieuwe vrienden om samen naar het achterdek te rennen en daar toch maar het beste plaatsje te bemachtigen. Want na drie dagen en 2340km rijden verlaten we uiteindelijk Europa, en niemand wilt het missen.

Bengelend met onze voeten over de rand zie ik Europa langzaam in de ochtendmist verdwijnen tot er plots niets meer is dan water. No Man’s Land. Naast me zit Tinni, een van het groepje Nederlanders die met een bus naar Gambia trekken. Samen staren we even stil naar het kolkende witte schuim achter de ferry.  Achter ons krioelt van de Challengers: twee stoere vrouwen in motorpakken, een groepje antropologiestudenten van de Vrije Universiteit Amsterdam, een man en vrouw team uit Geluwe. Elk brengen ze hun eigen verhaal mee op deze tocht naar Afrika.

“Mijn vriendin wou naar Afrika” zegt Tinni. “Haar zwager had de tocht al twee maal gemaakt en zij wou het ook doen. Toen dacht ik: nou, dan ga ik mee.” Tinni wordt 83 dit jaar. Op de vraag of hij al veel van de wereld heeft gezien, grijpt Tinni terug naar 1945, toen hij met de Marines voor drie jaar naar India werd gestuurd.  Gebeten door de reismicrobe blijft Tinni bij zijn terugkeer niet lang meer in Nederland en in 1953 reeds vertrekt hij met zijn gezin naar Noord Amerika.

In een vorig leven was Tinni Stucador in Canada. Maar de lange winters lagen hem zwaar op de maag. Een stucador moet kunnen werken zonder dat het weer je parten speelt. Vrouw en kind onderhouden kost geld en al snel zoekt het gezinnetje zonnigere oorden op. California, Nevada, New York, overal is er genoeg werk. Helaas kunnen zonnige zomers niet alles redden. Tinni is ondertussen 25 jaar gescheiden.  “Mijn vriendin, die wilt wel reizen, en dat vindt ik leuk,” zegt hij trots. “

Met z’n zeven zijn ze op de oude bus. Drie mannen en vier vrouwen, waaronder ook Trees, de vriendin van Tinni, met haar zestig jaar de jongste van de bende. Alles doen ze samen op die bus: koken, slapen, rijden, en ook af en toe een kaartje leggen. Zes maand hebben ze deze tocht voorbereid: de taken eerlijk verdeeld en ieder zijn verantwoordelijkheid. En zo kwamen ze er wel, vonden ze. Zelf rijdt Tinni niet met de bus tijdens deze monstertocht. Dat laat hij liever aan de jongeren over. Hij rijdt gewoon mee. Om het allemaal nog eens te beleven. Aan stoppen met reizen denkt Tinni nog niet, want hij zou graag nog eens terug gaan naar India, daar waar het allemaal is begonnen.

Voor ons rijzen de schimmen van Afrika uit de mist. Even zitten we nog stil naast elkaar, denkend aan de lange tocht die op ons wacht. Traag stel ik me recht en bedank ik Tinni voor het gesprek. “Ik wens je een goede gezondheid en heel veel geluk in de rest van je leven,” sluit hij af met een vriendelijk klopje op mijn schouder terwijl hij hinkend naast me loopt, terug naar zijn groep waar Trees geduldig op hem wacht. “…veel geluk in de rest van je leven.” Zo’n oprechte, grote wens voor een wildvreemde, daar moet je 82 voor zijn.

Artikel hier.

Written by sabineclappaert

November 12, 2009 at 10:10 pm

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: